Het volgen van kwalitatief hoogstaande bij- en nascholing is een onderdeel van de voortdurende professionele ontwikkeling van de gynaecoloog. Met het van kracht worden van het Kaderbesluit CCMS per 14 december 2004 en de Beleidsregels Herregistratie MSRC per 1 januari 2006 is een nieuw kader geschapen waarbinnen de Wetenschappelijke Verenigingen uitvoering moeten geven aan hun taken met betrekking tot accreditatie van bij- en nascholing en tot herregistratie van medisch specialisten. Tevens is binnen de KNMG verder vorm gegeven aan de uitvoering van de besluiten van het Accreditatie Overleg (AO) en de uniformering van aanvraag en registratie van geaccrediteerde bij- en nascholing. De AO-besluiten vormen de basis van deze Nota Accreditatie.
De kwantitatieve eisen van het Kaderbesluit CCMS zijn geüniformeerd zodat voor alle specialismen geldt dat de medische specialist tenminste 16 uur per week zijn specialisme dient uit te oefenen om voor registratie in aanmerking te komen.
Als kwalitatieve eis is gesteld dat de medische specialist tenminste 40 uur per jaar (respectievelijk 200 uur in 5 jaar) deel moet nemen aan deskundigheidsbevordering en deelneemt aan het programma van kwaliteitsvisitaties van de betreffende medisch wetenschappelijke vereniging.
Naar aanleiding van het Kaderbesluit CCMS verwacht de MSRC van de wetenschappelijke verenigingen ter completering van de beleidsregels voorstellen over de wijze van aantonen van deelname aan deskundigheidsbevordering. Het deelnemen aan geaccrediteerde deskundigheidsbevordering is onder meer een voorwaarde voor herregistratie.
De accreditatie van de deskundigheidsbevorderende activiteiten wordt verricht door de betreffende vereniging. De kwalitatieve en kwantitatieve eisen zijn voor medisch specialisten die fulltime en parttime werkzaam zijn, wat betreft deelname de deskundigheidsbevordering gelijk. Voor overige bepalingen wordt verwezen naar Beleidsregels Herregistratie MSRC (http://knmg.artsennet.nl/Opleiding-en-Registratie.htm)
De NVOG onderscheidt 3 soorten van nascholing: algemeen niet-vakinhoudelijk, algemeen vakinhoudelijk en specieel vakinhoudelijk. De verdeling binnen het nascholingspakket behoort te voldoen aan de volgende verdeling: maximaal 25% algemeen niet-vakinhoudelijk, maximaal 75% specieel, minimaal 25% algemeen vakinhoudelijk, over een periode van 5 jaar gerekend.
Onder algemeen niet-vakhoudelijk vallen de voor het vakgebied van de gynaecoloog relevante competenties communicatie, samenwerking, maatschappelijk handelen, organisatie en professionaliteit. Onder specieel vakinhoudelijk vallen de competenties van het medisch handelen, en de kennis en wetenschap op het terrein van de aandachtsgebieden en subspecialisaties. Algemeen vakinhoudelijk betreft de competenties van het medisch handelen, en de kennis en wetenschap binnen het standaard domein van de gynaecoloog.
De wetenschappelijke verenigingen zijn verdeeld over drie clusters, waarbij de NVOG deel uitmaakt van het Cluster Medisch Specialisten. De accreditatie voor algemene bij- en nascholing wordt per Cluster uitgevoerd door enkele verenigingen, die zich daarvoor beschikbaar hebben gesteld. Accreditatieaanvragen voor algemene bij- en nascholing ten behoeve van medisch specialisten worden beoordeeld door ABAN (Accreditatie Bureau Algemene Nascholing). Hierbij wordt gewerkt volgens het delegatieprincipe: het oordeel ten aanzien van het al dan niet honoreren van een aanvraag en het aantal toe te kennen punten van de beoordelende vereniging is bindend voor alle verenigingen binnen hetzelfde cluster.
Vakinhoudelijke bij- en nascholing wordt voorlopig per wetenschappelijke vereniging beoordeeld. Alle accreditatiecommissies hanteren dezelfde bezwaar- en beroepsprocedure. Een bezwaar moet worden ingediend bij de betreffende accreditatiecommissie. Men kan hierna in beroep gaan bij een onafhankelijke, gezamenlijke commissie. Het is de verantwoordelijkheid van de individuele arts om in het kader van de wettelijke herregistratie, voor zichzelf een evenwichtig nascholingspakket samen te stellen. Een vereniging kan desgewenst aanvullende eisen stellen bovenop de eisen die in het kader van de wettelijke herregistratie worden gesteld (differentiatieprincipe). Voor NVOG-leden geldt dat de samenstelling van de gevolgde bij- en nascholing - naast algemene vorming - tevens blijk geeft van het eigen aandachtsgebied (zie NVOG-Nota Aandachtsgebieden en subspecialisaties). Ten aanzien van de subspecialismen kunnen specifieke eisen worden gesteld welke worden/zijn vastgelegd in de betreffende nota's.
De logistiek van de accreditatieaanvraag, -verwerking en -registratie verloopt via de door alle aangesloten wetenschappelijke verenigingen gebruikte Gemeenschappelijke Accreditatie Internet Applicatie (GAIA)
De uitvoering van de accreditatietaak dient kostendekkend plaats te vinden. De kosten worden door de accrediterende vereniging in rekening gebracht bij de aanbieders van bij- en nascholing. Binnen een cluster wordt hetzelfde tarief gehanteerd.